43-48 STEEN
I
verweer
bemoste
knoesten
maar
bloeiend
binnenkort
want
geen
nee
geen
steen
---
II
tweelinggedicht
met
watervaste stift
beschreef
ik deze steen
getrommeld
kwam
hij oceanenver
naar
waar mijn hand hem vond
cantabrië
dat
groene land
ik
breng hem niet terug
nee
nee galicië
genomen
is genomen
hij
vond een graf
een
ander kruis
de
steen
---
III
dialogen
uit
hoekige gedachten
vorm
ik praatjes zonder hapering
als
bikken wij de woorden
tot
de afgemeten klanken
die
gaan passen met de mortel
van
de
tijd
en
hoe
het gaat
tot
zo
is dat
---
IV
verzon
heel
in de verte loop je van me weg
zie
ik je opgestoken hand
het
is het zeil
van
achterbergs
voorbij
een
stipje ben je, wacht
nog
even
nog
voordat
je samenvalt
met
zee
met
kale horizon
---
V
---
VI
plooibaar
versteen toch niet
maar buig
krimp
ineen
dij
wuivend uit
dat oevers geen oevers blijken
dat driesprong dansend
de berg het ravijn verzwelgt
want mijn linkeroog
vertelt dat het licht paars is
dat zou zomaar kunnen
als je niet versteent
---
VI
voorgoed
maar
hier ben
ik
nu
loom
drijvend
op
mijn rug
bij
iedere ademhaling
gaan
mijn handen open
mijn
knieën
verbaasd
naar
buiten
ik
vervloei
zie
witte
rozen op de zürichsee
en
lantarentjes
overal
lantarentjes
stroom
weg steen
stroom
weg
word
water
---
© anne cazemier 8 april 2009 - 6 juli 2015
plonialoeve[dot]com

Geen opmerkingen:
Een reactie posten